Hannah Arendt

 

 

De Wijsgerige Kring Eindhoven
bestaat 80 jaar.

Een terugblik op de periode 1933 - 1993.

Drs. P.IJ. de Wind

 

(Dit is een iets gewijzigde versie van het eerder verschenen artikel in Filosofie - twee maandelijks tijdschrift van de Stichting Informatie Filosofie, jaargang 3 nr. 5, oktober 1993, blz. 4 t/m 12)

 
Het documenteren van historisch materiaal valt meestal niet binnen de opties van een vereniging. Ook de Wijsgerige Kring Eindhoven heeft zich in de eerste 50 jaar van zijn bestaan weinig gelegen laten liggen aan archivering van zijn activiteiten. Bij de herdenking van zijn 60-jarig bestaan werd een poging ondernomen om een en ander in beeld te krijgen. Hieronder volgt het verslag van een eerste onderzoek naar zijn geschiedenis van de eerste zestig jaar.

 
I. HET BEGIN
In 1933 heeft dr.ir. F.Ph.A. Tellegen de beslissende zet gegeven tot de oprichting van de Wijsgerige Kring in Eindhoven. De eerste leden van de kring waren academici, die in de geest van het Studium generale, dat na de Eerste Wereldoorlog op alle universiteiten werd ingesteld, voort wilden gaan. Het Studium generale ontstond als gevolg van de groeiende onvrede bij diverse hoogleraren over de onvoldoende, soms minimale aandacht binnen de studierichtingen voor de grondslagen van de wetenschapsbeoefening, namelijk de wijsgerige bezinning. Binnen dit kader van het Studium generale hebben in de periode 1910-1930 vooral prof. Beysens (1864- 1945), prof. J.V. de Groot o.p. (1848-1922) en prof. Doodkorte o.p. baanbrekend werk verricht onder studenten van vooral katholieken huize. Tellegen, zelf een toegewijd leerling van Doodkorte, had voor de wijsgerige kring een werkwijze gevonden die bij de situatie paste. De meeste leden hadden immers een drukke werkkring. Er kon daarom niet veel tijd worden vrijgemaakt, maar het mocht zeker niet verworden tot een oppervlakkige kennismaking van modesnufjes, een snobisme. Van meet af aan was de intentie van Tellegen om zijn leerlingen kritische zin en onbevangenheid bij te brengen. Zes jaar lang 10 weekenden per jaar kwam hij vanuit Delft naar Eindhoven om zijn studenten naar eigen zeggen 'systematisch te leren doordenken op wijsgerige grondbegrippen'. Dit wijsgerige doordenken geschiedde op basis van één systeem: het (neo-)thomisme.
Bij de oprichting van de kring mogen we één naam niet vergeten: dr. H. Weijtens (1906-1972), docent Nederlands. Hij was het die, vanaf het begin, velen wist te stimuleren om mee te doen aan de jaarlijkse bijeenkomsten van de kring. Vanaf 1933 was hij voorzitter en hij legde zijn functie pas neer in 1965. Tot op heden (2017)  is hij  de voorzitter met de één na langste staat van dienst.

 
II. HET NEO-THOMISME: HET DENKSYSTEEM VAN 1933 - 1950.
In de vorige eeuw hield het katholieke, wijsgerige denken geen gelijke tred met de vooruitgang in de wetenschappen. Er heerste alom grote verwarring. Paus Leo XIII, onder de indruk van de mogelijkheden van de thomistische filosofie, vaardigde in 1879 een encycliek uit waarin hij de katholieke docenten opriep om deze filosofie te beoefenen. De filosofie van Thomas van Aquino hield een grootse belofte in voor de toekomst vanwege haar synthese tussen redelijk denken en geloof, maar tegelijkertijd zou zij als toetssteen kunnen fungeren om allerlei dwalingen tegen te gaan. Vetera novis augere et perficere, het oude met nieuwe bevindingen verrijken en voltooien. Na enige aarzeling kwam er in Nederland een beweging op gang om dit gedachtegoed aan de universiteiten te verspreiden, o.a. door de oprichting van de Radboudstichting in 1905. Vooral in de jaren dertig van deze eeuw was er een toenemende vraag te bespeuren bij beoefenaren van allerlei wetenschappen naar een meer alomvattende levens- en wereldbeschouwing. Enerzijds raakten de wetenschappen in hun methode en systematiek gefragmentariseerd, anderzijds ontstond er een kloof tussen de alledaagse, menselijke ervaring en de wetenschappelijke theorieën, inclusief de technische toepassingen ervan (1). Het positivisme bracht geen oplossing in problemen van allerlei aard in de dagelijkse praktijk, o.a. de technologische ontwikkeling en, verwant daarmee, de medische ethiek. Ook beoefenaren van de wetenschap in Eindhoven (hierbij denke men vooral aan het Natuurkundig Laboratorium van Philips) werden in de jaren dertig geconfronteerd met de eis van een nieuwe positiebepaling tegenover wetenschap en techniek. De vraag werd nu gesteld naar het doel van het handelen; men nam geen genoegen meer met het zich louter bezig houden met de middelen van het handelen, waartoe de wetenschap zich noodzakelijkerwijs diende te beperken. De thomistische wijsbegeerte bezat nu juist de ingrediënten van universaliteit, systematiek en inzichtelijkheid, waardoor zij zo verleidelijk werd voor de beoefenaren van de wijsbegeerte.
1. Magister A.C. Doodkorte o.p. (1869-1938)
Als vader en stichter van de Wijsgerige Kring staat geboekstaafd de toenmalige Dr.ir. F.Ph.A. Tellegen, maar de geestelijke grootvader van de kring is Magister Albertus Doodkorte o.p. Doodkorte was een vertegenwoordiger van het scholastieke thomisme: de exponenten hiervan probeerden een getrouwe weergave van de woorden van Thomas van Aquino te geven. Alle nieuwe bevindingen in wetenschap en menselijke ervaring werden herleid tot het gedachtegoed van Thomas, waarin alles in de kiem reeds gezegd was. Een citaat uit de rede bij gelegenheid van zijn 25 jaar bestaan geeft dit goed weer (2): "Om U ineens in het hart van de zaak te brengen, lees ik hier een passus voor uit een brief van wijlen Magister Albertus Doodkorte O.P., in 1936 aangezocht door ons om als spreker op het 3e wijsgerige weekend op te treden. 'Zaterdag en zondag 18-19 juli zal ik in Eindhoven zijn om weer te werken in de vakantie! Laat mij als onderwerp mogen geven: Definitie en eigenschappen van het Bonum morale, een nuttige en leerzame stof. Over het Bonum commune kunnen we nog wel elkaar in het gras wat vertellen. Het is wel weer een mode-artikel maar niet zo moeilijk'...Hij liet zich zo graag overhalen om, zelfs in zijn zuurverdiende vakantie, de wijsheid van Sint Thomas te brengen, daar waar men er ontvankelijk voor was. Dit briefje tekent de Magister ten voeten uit: zijn drang om de waarheid uit te dragen, zijn strenge gedisciplineerde denkwijze, een zindelijk denken dat tegelijk zijn kracht en zijn beperktheid vertoont, zijn belangstelling voor aktuele vraagstukken, die hij sub specie aeternitatis, voor hem synoniem met sub specie sancti Thomae trachtte op te lossen. Ik denk aan het probleem van de periodieke onthouding, aan zijn belangstelling voor homeopathie, voor problemen van ras, volk, natie en zoveel meer. Met de uiterste zorg, puttend uit het volle leven van zeilen, vissen en trouwen (sic!), trachtte hij te komen tot het opstellen van definities, maar waren die eenmaal opgesteld, dan vormden die een onwrikbare basis voor zijn 'deducties'. Zijn definities waren dus geen ijle bedenksels. Wel leidde zijn huiver voor de oncontroleerbare fantasieën van 'poëten' tot onderschatting van de kenwaarde van het intuïtieve en het prae-conceptuele kennen." Uit dit citaat moge blijken, dat Doodkorte een exponent was van de opvatting dat Thomas verhelderd moest worden door een intellectualistische aanpak (3), hetgeen hem door veel van zijn tijdgenoten reeds werd verweten (4). Bovendien spreekt uit deze passus de bezorgdheid van Doodkorte over de moraal van de gemeenschap: hoe kan in een gemeenschap het goede voor iedereen (= het thomistische natuurrecht) worden gegarandeerd? Ofwel, wat is de grondslag van het positieve recht? Ligt hier een verwijzing van Doodkorte naar de gebeurtenissen, die op dat ogenblik gaande waren in Duitsland? Is dit de reden, dat hij de vraag naar het Bonum commune als niet fundamenteel genoeg zag (niet moeilijk!)? In 1935 had hij al een inleiding gehouden over: "De verhouding tussen Staat en Natie". Volgens een korte notitie bij de aankondiging van de inleiding gehouden op 21 juli 1935 werd "de staat als een hoger goed aangemerkt dan het nationaal eigene. Een natie is niet noodzakelijk politiek zelfstandig. Wel moet de staat het nationaal eigene beschermen". Lag het probleem voor hem niet vooral in het ontbreken van het 'universele' rechtvaardigheidsbeginsel in een nationaal-socialistische samenleving, omdat het na te streven nationaal eigene per definitie 'particulier' is? Het nationalistische streven in de dertiger jaren zou derhalve, in de visie van Doodkorte, een verkeerd gericht verlangen zijn, namelijk op het particuliere in plaats van op het algemene goed.
2. Dr.ir.F.PH.A. Tellegen (1904-1985)
In zijn in memoriam bij het overlijden van Doodkorte in 1938 had Tellegen geschreven het als zijn belangrijkste doel te beschouwen: "het helpen vormen van principieele en radicale menschen, die niet wijsbegeerte 'geleerd' hebben maar die wijsgeerig zijn in hart en nieren, die beginselen hebben leeren inzien èn toepassen en die door de liefde tot God gedreven worden."(5)  Hoewel hij in grote lijnen zijn magister trouw is gebleven, heeft hij zich gaandeweg verwijderd van diens schematisch wijsgerige denken. Doceerde hij in de beginjaren nog uit de dictaten van Doodkorte, enige jaren later ontwierp hij zijn eigen dictaten waarin zijn aandacht voor het existentiële denken naar voren kwam. Zijn denken ging uit naar de aard en zin van de techniek voor de mens en de gemeenschap, naar het wezen van de arbeid in het leven van de mens, maar zijn oplossing lag binnen het aristotelisch-thomistische stof-vorm denkkader (6). In 1953 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de TH te Delft. Een benoeming tot buitengewoon hoogleraar aan de TH te Eindhoven, direct na de oprichting ervan in 1956, mag als een bekroning op zijn wijsgerige werk worden gezien.
3. Naast Tellegen traden in het eerste cursusjaar 1933-1934 Mgr.prof. dr. A. Dondeyne (1901-1985) en prof.dr. B.A.M. Barendse o.p. (1906-1977) op. Het thema van dat jaar luidde: Christen t.o. de nood van deze wereld. Ligt hier een legitimatie van de katholieke filosofie: dé brengster van de synthese redelijk denken en geloof? Moet de nood misschien worden verstaan als enerzijds het pluralisme in de wetenschappen en anderzijds de eenheid van het irrationele nationaal-socialistische gedachtegoed?  In ieder geval weten we, dat Dondeyne de fenomenologische en existentiële vraagstukken serieus nam en ze probeerde op te nemen in de neothomistische metafysica,terwijl Barendse zich aanvankelijk gehouden heeft aan de essentialistisch-conceptualistische opvatting van het neothomisme. Maar mogelijk, mede onder invloed van zijn mede-inleider Dondeyne van dat eerste cursusjaar, zou hij toch een meer eigen positie gaan innemen (7).  Voorts was zijn beste vriend prof. J. Wilderbeek o.s.a. (1905-1978) (8), die hem vertrouwd maakte met het existentiële denken van Augustinus. Als voor het cursusjaar 1973-1974 Barendse weer aangezocht is om als inleider voor 10 bijeenkomsten op te treden, dan heeft hij zijn eigen stijl gevonden getuige de aankondiging met de tekst van zijn hand: "In onze bijeenkomsten ter inleiding in de filosofie zal allereerst aandacht worden gegeven aan de vraag: wat is filosofie? Deze vraag, een bij uitstek filosofische, zal zo weinig mogelijk op een geleerde, abstracte wijze worden behandeld. Boekengeleerdheid is in dit stadium van niet veel nut. Wij zullen een antwoord trachten te vinden al doende, d.i. al filosoferende, en wel zó dat de deelnemers zichzelf kunnen herkennen. Wij zullen trachten de vragen zo te stellen als zij leven in het spontane denken. Het resultaat moge dan zijn dat de deelnemers tot de conclusie komen: als dàt filosoferen is, dan heb ik al gefilosofeerd lang voordat ik het woord "filosofie" ook maar kende, zoals ik ook lang proza sprak voordat ik wist wat "proza" betekent. Daarom zullen wij in onze bijeenkomsten uitgaan van en terugkeren tot overtuigingen en inzichten welke aanwezig zijn in iedere mens die nadenkt. Hetgeen niet wil zeggen dat wij het onszelf gemakkelijk gaan maken! Want eenvoudig denken is moeilijker (zeker in het begin) en het vraagt meer zelftucht dan ingewikkeld doen." Wat zullen deze woorden van Barendse de medische studenten, die in Amsterdam tijdens de 60er en begin 70er jaren zijn colleges over Thomas van Aquino hebben gevolgd, vertrouwd in de oren hebben geklonken!
Ook in dat cursusjaar, eind 1973, was Dondeyne opgetreden voor de kring als eenmalige co-inleider over: Wat is wijsbegeerte? Het ging Dondeyne om wat de filosofie beweegt en bezielt en tenslotte vooral om de vraag: wat de waarheidsbewogenheid, die de filosofie is, in de cultuur teweegbrengt. Welk heil brengt de filosofie voor ons menszijn? 
Het eerste contact met de paters Augustijnen dateert van juli 1935, toen het jaarlijkse weekend gehouden werd op het Augustinianum, het gymnasium van de Augustijnen te Eindhoven (Kanaalstraat) (9). Een paar maanden later werd deze band hechter, doordat pater Wilderbeek de lessen van dr.ir. Tellegen kwam bezoeken. We spreken dan over 1935-1936, het derde cursusjaar. Het cursusjaar dat zou worden afgesloten door mag. Doodkorte. Het cursusjaar daarop werd Wilderbeek zelf docent en hij zou dat blijven tot aan zijn dood in het voorjaar van 1978. Zijn enthousiasme voor de methode van Doodkorte kon niet wegnemen dat hij zijn eigen achtergrond, namelijk de studie van Augustinus, zou inbrengen in zijn voordrachten gedurende al die jaren. Eén van de meest in het oog springende uit de filosofie van Augustinus is diens theorie over het kwaad: metafysisch wordt het kwade begrepen als zijnsprivatio, als een vermindering van het zijn van de mens, psychologisch wordt een ruime plaats toebedeeld aan de ervaring van het kwaad. Later zou Wilderbeek ook de filosofie van Heidegger in vele bijeenkomsten, in de jaren 70, aan de orde stellen. Uiteraard zal het exposé van Heidegger over de tijdsidee in diens Sein und Zeit zijn behandeld en vergeleken met Augustinus' tijdsbewustzijn in de Confessiones. Met Wilderbeek is dan de tijd begonnen, dat de Wijsgerige kring nauw verbonden was met het Philosophicum van de Augustijnen te Eindhoven. Ook na de opheffing van het Philosophicum in 1965 bleven de banden met de augustijnse filosofen hecht. Met de dood van prof. Luypen in september 1980 zou aan dit samenwerkingsverband formeel een einde komen.
Vrouwen werden in de beginjaren, van 1933 tot in 1940, evenals sterke drank - volgens de feestrede - uit de vereniging geweerd. Volgens voorzitter Weijtens was dit te wijten aan: "de vrouwen-fobie van de docent (Tellegen, noot PdW), in die ontwikkelingsfase van zijn wijsgerige loopbaan nog overtuigd van de ondermijnende krachten van vrouwelijke charme voor het degelijk mannenwerk dat filosofie nu eenmaal heette te zijn." Maar in 1940, na het begin van WO II, werden de eerste vrouwen in de kring toegelaten. Het was mevrouw Tellegen zelf die had bewerkstelligd, dat haar man dit niet ervoer als verraad.
Later zou de kring bij enkele docenten ook een andere denkwereld ontmoeten, zoals de fenomenologische, existentialistische en existentieel-fenomenologische visie op mens en wereld.

 
III. DE PERIODE VAN DE EXISTENTIELE-FENOMENOLOGIE: 1950-1980
Ofschoon de eerste aanzetten tot een synthese van fenomenologie en existentialisme enerzijds met het neothomisme anderzijds al in de jaren dertig werden gegeven onder invloed van vooral Leuven, kwam de doorbraak in Nederland toch voornamelijk pas na de oorlogsjaren. De belevingswereld van de individuele mens kreeg ineens veel aandacht: de persoonlijke levensgeschiedenissen werden waardevol voor het formuleren van een filosofie. Werd er enerzijds een filosofie van onverschilligheid en haat geformuleerd (Sartre), van vertwijfeling en angst, anderzijds waren er ook denkers die een filosofie van hoop ontwikkelden (Marcel) vanuit de verschrikkingen van de oorlog. In de wijsgerige kring traden na de oorlog docenten op die
een filosofie van de hoop meer nabij stonden: Kwant en Luypen.
Dr. R.C. Kwant (1918-2012) was gevormd door Wilderbeek op het Philosophicum te Eindhoven en werd er hoogleraar, na zijn promotie in 1945 te Rome op de these: De gradibus entis, over de zijnsgraden. Hij zette zich aanvankelijk sterk in voor een synthese, voor een fenomenologisch gefundeerde algemene zijnsleer. Volgens hem zou de metafysica moeten teruggaan naar het begin van alle verstaan. Hoe dit binnen de kring werd ervaren, blijkt uit de rede van H. Weijtens: "In 1947 trad voor het eerst pater dr. Remigius Kwant o.e.s.a. als docent op, in wie juist die dagen zich een crisis scheen te voltrekken. Hij leefde kennelijk in onmin met zijn tekst, die allereerst bedoeld was voor het Culemborgs studiecentrum. Geleidelijk zagen wij in hem en in zijn lessen zich een evolutie voltrekken in existentiële richting." En die existentiële richting was de filosofie van Merleau-Ponty, waarin de taal van de lichamelijkheid centraal stond: het menselijk lichaam overschrijdt voortdurend door zijn zingevend gedrag zijn eigen feitelijkheid. Door onze lichamelijkheid kan de mens met de ander communiceren. In de 50er jaren waren de inleidingen van Kwant binnen de Wijsgerige Kring vooral gewijd aan de wijsbegeerte van de ontmoeting. Ook zou Kwant zich bezighouden met het vraagstuk van de arbeid. Hij onderwierp de arbeid aan een fenomenologische analyse. Volgens hem zou de menselijke wereld een nieuwe gestalte krijgen door een verruiming van het begrip 'arbeid' tot 'alle sociaal zinvolle bezigheden'. Hij noemde dit het arbeidsbestel, waarvan de geest nihilistisch zou zijn. Nihilistisch, omdat aan het natuurwetenschappelijk denken en aan de technische werkwijze een absolute waarde zou zijn toegekend (10). Zo heeft Kwant een uiterst belangrijke bijdrage geleverd aan een ander denken binnen de Wijsgerige Kring.
Een andere denker, prof. dr. W.A.M. Luijpen o.s.a. (1922-1980), heeft deze ommekeer binnen de kring voortgezet. In 1950 promoveerde hij in Rome op een fenomenologisch onderwerp: De psychologie van de verveling. Van 1950 tot 1952 heeft hij zich te Parijs verder bekwaamd in de fenomenologie en de existentie-filosofie. Hij onderging de invloed van de filosofie van Heidegger, van Merleau-Ponty, van Marcel en tenslotte van Sartre. In 1956 zou hij voor verdere studie nog naar Leuven gaan tot 1958 alwaar hij de invloed zou ondergaan van Dondeyne en De Waelhens (11).  Voorzitter Weijtens: "Iets dergelijks (de evolutie in existentiële richting zoals bij Kwant, noot PdW) konstateerden wij bij pater dr. W. Luijpen in zijn Theodicee-lessen van 1952. Dat hiermee de belangrijke Thomistische verworvenheden niet afgedaan hebben, staat even vast als het besef dat in Sint Thomas het wijsgerig denken der christenen niet voltooid is. Het is dan niet toevallig dat denkers als Dondeyne en Barendse - die een synthese mogelijk achten tussen verschillende centrale inzichten van Thomas en van de existentiële fenomenologie zich in ons midden zo thuis voelen. Evenmin is het toevallig dat het juist volgelingen van Augustinus zijn, - misschien de eerste existentiële christen-filosoof van wereldformaat -,die het moderne existentiële denken een gunstig klimaat achten voor het christendom, althans een gematigd optimisme in dezen koesteren". 
Nadat Luijpen in 1958 was teruggekeerd uit Leuven werd al snel duidelijk, dat ook de thomistische verworvenheden volgens hem hadden afgedaan. Zijn kritiek op het (neo-)thomisme kan als volgt worden weergegeven: 1. de leer, met name de natuurrechtsleer, gaat uit van het beroep op de wil van God; 2. er wordt gewerkt met een niet te verifiëren begrip van natuur; 3. de omschrijving van de natuur, opgevat als wezen van de mens, houdt te weinig of geen rekening met de historiciteit en de co-existentie van de mens; 4. en tenslotte is het neothomisme objectivistisch van aard: het objectieve wordt verstaan als een en-soi, niet als een ontmoetingsterm van het kennende subject (12).  Het centrale punt van kritiek ligt in de notie van intersubjectiviteit: zonder de ander c.q. de gemeenschap is de mens niet wat hij nu is. De mens is wezenlijk 'medemens' zijn. In dat medemens zijn nu ligt de bron van ervaring en het op weg zijn.
Een andere Augustijn van formaat die in de kring optrad was prof. dr. S.IJsseling (1932-2015). Zijn wijsgerige scholing deed hij op aan het Philosophicum te Eindhoven en aan de Leuvense universiteit. Hij promoveerde op het thema: Heidegger. Denken en Danken, Geven en Zijn (1964), waarna hij in het studiejaar 1964-1965 voor het publiek van de Wijsgerige Kring zijn dissertatie behandelde. Er werd in de programma-aankondiging wel fijntjes aan toegevoegd: "Alleen zij die wat meer vertrouwd zijn met de grondlijnen van het existentiële denken kunnen met vrucht deze cursus volgen." Overigens liep in hetzelfde cursusjaar de voordracht van dr.W. Luijpen over het existentiële denken met als titel: Inleiding tot de Existentiële Fenomenologie. Tevens sprak in dezelfde periode dr. E. Wieland over Sartre.
De begrippen in het proefschrift van IJsseling - denken en danken, geven en zijn - geven al aan dat zijn (ontologie) en denken (kenleer) uiteindelijk nauw verwant zijn, volgens Heidegger, met de antropologische noties danken en geven (intersubjectiviteit). In een ontologie en een kenleer ligt het antropologische moment noodzakelijk opgesloten. Lag de nadruk bij de vroege Heidegger op de mens (het Dasein) als degene die de zin van het zijn ontsloot, bij de latere Heidegger werd de nadruk verlegd naar het zijn zelf, dat zijn eigen zin ontsloot voor de mens. De mens moet het zijn laten gebeuren: het zijn geeft zichzelf te denken. Denken kan op twee manieren geschieden: het rekenende denken waardoor iemand greep probeert te krijgen op de wereld en het bezonnen denken waardoor hij openstaat voor het zijnsgebeuren. Alleen in deze tweede betekenis is het denken: danken.
In het cursusjaar 1966-1967 hield IJsseling een serie voordrachten over Fenomenologie en psycho-analyse, nadat in het voorjaar van 1966 prof. dr. A. De Waelhens (1911-1981) uit Leuven een lezing over Psychoanalyse en ervaring had gehouden. Beide inleiders waren overtuigd van de vruchtbare wisselwerking tussen de fenomenologie, die een radicale explicatie wil geven van de menselijke ervaring en die de dialoog van de mens met zijn medemens en met zijn omgeving wil verhelderen, en de psychoanalyse, die een geheel nieuw licht werpt op de verschillende niveaus die aanwezig zijn in deze menselijke ervaring en dialoog.
IJsselings latere aandacht voor retoriek, discours en tekst hangt samen met de houding van de latere Heidegger. Niet het zingevende subject staat centraal in de analyse van een discours, maar de openheid voor het 'ongedachte' in het denken en spreken. De zijnsvraag - de waarheidswaarde of het werkelijkheidsgehalte - is niet meer van belang, maar wel de vraag naar de structuur en de werking van de tekst. En het vertoog moet worden gelezen als een metafoor; het is een zekere oplichting van het zijn in een bepaalde denkperiode (13).
Het cursusjaar 1967/68 met als thema "Verwondering als weg naar authenticiteit" werd verzorgd door dr. A. Leenhouwers o.f.m. cap (overl. 2007). Hij probeerde antwoorden te formuleren op vragen als: wordt de crisis der zekerheden veroorzaakt door een nieuw gevoel voor de kracht van de "verwondering", of kan mogelijk juist een bezinning op de "verwondering" perspectieven openen voor de mens van nu ? Uitgaande van het boek van C. Verhoeven: Inleiding tot de verwondering, probeerde Leenhouwers te komen tot een persoonlijke reflectie op de verwondering als typisch menselijke act. Een jaar later zou hij nog een keer optreden, maar nu met als thema:
Inleiding tot het denken van Emmanuel Levinas
. In deze cursus trachtte Leenhouwers de basisideeën van Levinas te verduidelijken.
Tenslotte gaf in datzelfde jaar 1968/69 drs. P. Giesen o.s.a. een algemene inleidingscursus, waarin het denken van Immanuel Kant als leidraad genomen werd (14). Hij deed dit door alle wijsgerige vragen terug te voeren tot de vier kantiaanse grondvragen: de metafysische, de morele, de religieuze en de antropologische.  

 
IV. SYNTHESE VAN THOMISME EN WETENSCHAPPELIJK DENKEN
Als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van een samengaan van ervaringsdenken en het geloof in universalisering van het thomisme mag wel worden genoemd prof.dr. A.G.M. van Melsen (1912-1994). Van Melsen ziet de natuurwetenschap als een onderdeel van de menselijke ervaring: zij vervreemdt de mens niet van zichzelf, maar zij doet een beroep op de mens. De wetenschap is niet de enige ware kennis, want daar verzet Van Melsen zich zeer scherp tegen af. Hij is overtuigd van de misvatting van het mechanicistische wereldbeeld en het positivistisch denken op basis van een onderzoek dat hij heeft verricht naar de geschiedenis van de atoomtheorie. Volgens Van Melsen zou de aristotelische natuurfilosofie geschikter zijn om de ontwikkelingen in de huidige natuurwetenschappen te verklaren dan de democritisch-mechanicistische natuurfilosofie. En daarmee koos hij voor het neothomistisch uitgangspunt (15). Direct na de oorlog heeft hij voor de kring een lezing over deze problematiek van de verhouding geloof en rede gehouden. In 1983, bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan, was er een hernieuwde kennismaking waarbij Van Melsen het neothomisme zelf ter discussie stelde in een lezing met als titel: Welke bijdrage kan het thomisme heden ten dage (of in de toekomst) nog leveren? Voordat hij die vraag kon beantwoorden moest eerst op twee andere vragen worden ingegaan: wat de kracht en wat de zwakte is van het (neo-)thomisme èn voor welke problemen de hedendaagse wijsbegeerte zich gesteld ziet? (16) Nog in het cursusjaar 1992-1993 heeft hij voor de kring een lezing gehouden over de vraag: Kent de wijsbegeerte vooruitgang? Waarom worden er geen algemeen aanvaarde antwoorden op bestaande vragen gevonden? Volgens Van Melsen ligt dit niet zo eenvoudig, want ontdekkingen van menselijke mogelijkheden, zichtbaar gemaakt in de wetenschap en techniek, geven aan de wijsbegeerte een nieuwe ervaring. Dit zou geleid hebben tot een bijstelling in de verhouding tussen mens en natuur, tot andere visies op de maatschappij en op de rol van de mens in de geschiedenis (17).
Uit eigen kweek van de Wijsgerige Kring trad in de jaren 1937 tot 1954 de wiskundige drs. P. van Lent op als docent, nadat hij al vanaf het begin in 1933 cursist was geweest. Hij nam regelmatig inleidingscursussen voor zijn rekening, maar vooral cursussen in de wijsbegeerte van de fysica en de wiskunde. Dit lag natuurlijk geheel in de lijn van de methode Doodkorte: eerst inzicht verwerven in algemene beginselen en vervolgens de gevolgen daarvan afleiden volgens de principes van de klassieke logica.
Tenslotte moet nog drs. J. Aarts, docent in de psychologie en pedagogie aan de Katholieke Leergangen te Tilburg, worden gememoreerd: van 1941 tot 1947 doceerde hij theoretische psychologie. Vanaf 1949 werd hij inspecteur van het Lager Onderwijs in het district Tilburg. De cursus Psychologie van de Wil, die vanaf 1 oktober 1944 door hem werd verzorgd, vertoont alle trekken van Thomas' leer naar opzet en naar inhoud. Voor wat alleen de inhoud betreft: in de daad van de vrije wil zit een verstandelijk en een wilselement, want "het is een oordeel en tevens een vrije beslissing, een keuze. Omdat de akt van kiezen één is, kan ze niet onmiddellijk uit twee potenties voortkomen, maar ze komt uit één principe onmiddellijk voort en uit een ander middellijk. Het begrip kiezen sluit twee elementen in nl. 1e. uit vele één nemen en 2e. dit vrij doen. Het tweede element is het specifieke van kiezen, dat maakt het uit vele één nemen tot kiezen. Het vermogen, waaruit dus onmiddellijk het kiezen voortkomt is het vermogen waaruit de vrijheid van de keuze voortkomt en dat is de wil." Hiermee werd natuurlijk gepoogd het determinisme van de wil door het verstand te weerleggen door aan de wil een geheel eigen werkzaamheid toe te schrijven in het bereiken van een resultaat. De wil zou het concreet-praktische oordeel voortbrengen als werkoorzaak, terwijl het verstand dat als formele oorzaak zou voortbrengen.
De existentiële fenomenologie zou in de volgende jaren deze vorm van filosofie omschrijven als wezensfilosofie, omdat de rol van het verstand beperkt bleef tot een passief waarnemen van de transcendente werkelijkheid. Deze 'ware' werkelijkheid diende dan vervolgens als norm voor de wil.

 
V. EEN NIEUWE BEWOGENHEID BINNEN HET (NEO-)THOMISME
Vele thomisten hebben vanaf de oorlog de gelegenheid aangegrepen om de wijsbegeerte van Thomas te verdiepen door de nieuwe stromingen binnen het filosofische denken serieus te bestuderen en nieuwe vraagstellingen op te nemen. We hebben exponenten van deze richting al uitvoerig besproken, nl. Barendse en Van Melsen. Binnen het kader van de sociaal-wijsgerige problematiek hield in 1964 prof.dr. M.G. Plattel (1921-2015) o.a. een voordracht over het onderwerp: Situatie-ethiek en natuurwet. Het mag uit de titel duidelijk zijn, dat de absolute aanspraak van het thomisme op de 'natuur' van de mens werd gerelativeerd d.m.v. de existentialistische ethiek die benadrukt, dat er geen algemene norm valt te formuleren, omdat iedere situatie verschillend is.
Over de wijsgerige godsvraag hield dr. R.M. Friedeman (1925-1971) in 1959 een inleiding met als titel: "Phemenologie en Christelijke Metaphysiek". Friedeman nam de existentiële probleemstelling van de verhouding facticiteit - pour-soi op de korrel, met name de kwestie of de facticiteit alleen maar de facticiteit-pour-nous kan zijn. Hij was de mening toegedaan, dat uiteindelijk een facticiteit-en-soi erkend zou moeten worden. Ook keerde Friedeman zich af van de gedachte van intentionaliteit die zou bestaan in een 'ononderbroken veroveringstocht waarin voor mij het leven bestaat, het voortdurend willen bemeesteren van steeds nieuwe en verdere domeinen'. Hij zou pleiten voor een ontvankelijkheid van de mens voor de goddelijke werking in de mundane gestalten (18). In 1970 zou Luijpen eveneens de godsvraag behandelen: Hedendaagse wijsgerige godsproblematiek. Hij zou de invloed van de Griekse filosofie op de westerse godsproblematiek schetsen en deze dan afzetten tegen de niet-westerse benadering ervan. De religieuze ervaring is geen zaak van het rationalisme of geleerdheid: zij hangt niet af van zogenaamde godsbewijzen. De religieuze existentie bestaat in het ontwerp van de mens, in de orthopraxie. Friedeman had juist op dit punt, namelijk alleen de mens verleent zin aan deze wereld, kritiek op zijn confrater: niet de mens verleent zin aan de wereld, maar de (religieuze) mens stelt zich open voor zin in de wereld (de immanentie van het transcendente).
In 1969 hield prof.dr. H.H. Berger (1924) een inleiding over: De progressieve en de conservatieve mens. De conservatief is overtuigd van de vaste en onveranderlijke waarheid; de progressief is overtuigd van het gebeuren van de waarheid. Toch wilde Berger niet de progressieven zien als de verwerpers van de vaste en onveranderlijke waarheid. Immers de progressieven kan men volgens hem indelen in drie categorieën: degenen die progressief zijn, degenen die conservatief zijn en degenen die rebelleren. In metafysische zin staat de conservatieve mens voor 'zinaanbod' en de progressieve mens voor 'zinstichting'. In de visie van Berger moet de metafysica de beide momenten bevatten, zich daarbij realiserend dat de oude metafysica beperkt bleef tot de opvatting van zinaanbod (19). Hij noemt de oude metafysica (tot Descartes) niet metafysica maar zijnsfilosofie, terwijl vanaf Descartes gesproken kan worden van subjectfilosofie.
Vanuit dezelfde optiek verzorgde prof.dr. G. de Grunt (1926-1998) in het cursusjaar 1969/70 een cursus: Inleiding in het wijsgerig denken.  De conservatieve mens zou volgens hem iemand zijn die de toekomst ziet als een mogelijkheid tot verder bestaan, om dezelfde te blijven, om te volharden in zijn identiteit. De progressieve mens zou de toekomst zien als een nieuwe mogelijkheid van menselijk bestaan: het bereikte wordt als voorlopig beschouwd en houdt in ieder geval op model te zijn voor de toekomst. De Grunt wees in zijn cursus op de historische ontwikkeling in de richting van een devaluatie van de vaste en onveranderlijke waarheid door een verscherpt besef van de historiciteit van de menselijke bestaanswijze. In het cursusjaar 1972/73 zou De Grunt nog een keer een cursus verzorgen met als thema: Inleiding in de existentiële fenomenologie.
Tenslotte was voor onze kring ook prof.dr. Th. van Velthoven (1934-1986) vanaf 1979 van zeer groot belang. Behalve zijn deelname aan de nieuwe opzet van de organisatie van de kring, waarover direct iets meer, heeft hij in 1982 een cursus gegeven over: Persoon en intersubjectiviteit. Gedurende 5 avonden gaf hij zijn visie op de vraag wat de verhouding is tussen persoon-zijn en intersubjectief zijn in het menselijke bestaan? Grondtrek van de mens is, volgens Van Velthoven, de uitoefening van de menselijke existentie in relatie tot het andere. Zichtbaar wordt deze grondtrek in het fenomeen van het kennen en in de interpersoonlijke verhoudingen. De vraag is echter wel of deze relationaliteit afbreuk doet aan de zelfstandigheid van de mens, dan wel juist de wijze is, waarop deze zelfstandigheid zich toont en zich voltrekt. Volgens Van Velthoven zijn de complementaire acten geven en ontvangen kenmerkend voor intersubjectiviteit. Kennen is een 'ontmoeting' met de werkelijkheid. Het eerste moment van deze ontmoeting is het luisteren, het zich vrijmaken van zichzelf om daardoor open te staan voor het andere. De andere kenmomenten zijn het 'vragen' en het 'uitspreken' van wat wordt vernomen op dat stellen van vragen aan het gekende. Deze wijze van kennen is het zijn-bij-het-zijnde. Maar dit werd door Van Velthoven tevens doorgetrokken naar het eigen zijnde, dat de mens is. Het zijn-bij-zichzelf staat niet tegenover het zijn-bij-het-andere: zelfbetrokkenheid en de verhouding tot het andere  zijn beide wijzen van zijn-bij-het-zijnde, ze zijn complementair. Tenslotte is de intersubjectiviteit met zichzelf voorwaarde voor de intersubjectiviteit met het andere (20).  Aan zijn verdienste voor de kring kwam in 1986 helaas een vroegtijdig einde.

 
VI. DE ORGANISATIE
In het jubileumjaar 1958 zei voorzitter Weijtens over de organisatievorm van de kring het volgende: "De opzet van toen is de opzet van ook nu nog. In de dagen van de oprichting had men in studentenkringen een afkeer van alles wat zweemde naar formalisme. Men vreesde dat idealisme moest verstarren als het in een vereniging gekanaliseerd werd met een officieel bestuur, statuten en reglement, een beweging moest niet ontaarden tot een vereniging. Dit verklaart de wat vreemde situatie dat onze kring in al die 25 jaren het gedaan heeft zonder officieel bestuur, zonder statuten en reglement." Maar in 1964 werden dan toch statuten opgesteld, waarin de allernoodzakelijkste punten zijn opgenomen. Tot het najaar van 1979 heeft men met deze statuten gewerkt. Vanaf dat moment is er meer structuur aangebracht in de organisatie, hoewel dat tot een minimum werd beperkt. Na het overlijden van prof. J. Wilderbeek in 1978 was er toch wel de klad gekomen in het organiseren van cursussen, ook al omdat het bestuur bestond uit leden die niet geschoold waren in de wijsbegeerte. Achter de schermen was toen de volgende constructie bedacht: een geheel nieuw bestuur (behalve de oud-gediende F. Buenen) voor de praktische organisatie en de dagelijkse leiding én daarnaast een Wetenschappelijke Advies Raad (de WAR) voor de inhoudelijk verantwoorde keuze van themata en sprekers. In de WAR namen indertijd de volgende academici plaats: W. Luijpen (Tilburg en Delft), Th. van Velthoven (UvA), A. Rieter (Tilburg), Th. Zweerman (Utrecht). Daarnaast neemt ook tenminste één lid van het dagelijks bestuur, de voorzitter, zitting in de WAR en coördineert deze. Met de komst in 1981 van de nieuwe secretaris P. de Wind, op voordracht van Theo van Velthoven, neemt ook deze zitting inde WAR. Vanaf 1979 is voorzitter van de kring H. Willemsen. De kring werd toen weer nieuw leven ingeblazen. Een lezing van prof. dr. G.A. van der Wal over Wie dan leeft, dan zorgt? in het voorjaar van 1980, betekende een nieuwe start.

 
VII. DE JAREN 1980-1993: HEDENDAAGSE PLURIFORMITEIT AAN FILOSOFISCHE STROMINGEN EN THEMATA
Het cursusjaar 1980/81 werd gekenmerkt door de opzet: een cursus voor beginnelingen, verzorgd door drs. H.Willemsen, en een cursus sociale ethiek voor gevorderden met als inleider dr. K. Boey. Daarnaast werden vijf lezingen gegeven over Hedendaagse wijsgerige denkers. Het jaar daarop werd wederom een inleidingscursus van 10 avonden verzorgd door H. Willemsen met als titel: Mensbeelden in de wijsgerige stromingen van de twintigste eeuw. In wijsgerig-antropologisch perspectief passeerden de volgende stromingen de revue: fenomenologie, existentialisme, (neo-)marxisme, structuralisme, kritisch rationalisme en de analytische filosofie. Daarnaast was er een reeks van 8 lezingen over 'filosofen van de 19e en 20ste eeuw'. Bovendien werd een leesgroep gevormd, die o.l.v. mr.drs. A. Rieter Plato-teksten las in Nederlandse vertaling. Deze leesgroep heeft ook nog het cursusjaar daarop gedraaid.
Vanaf het cursusjaar 1982/83 werd er een formule bedacht en in werking gezet die ook nu nog bijzonder vruchtbaar blijkt te zijn. De Wijsgerige Kring Eindhoven ging ieder jaar 9 à 10 bekende en minder bekende maar wel terzake deskundige filosofen en filosofes voor twee avonden per onderwerp naar Eindhoven uitnodigen. Deze formule bleek de garantie te zijn voor een kwalitatief hoog niveau, terwijl het gebodene tevens representatief was en is voor de pluriformiteit in de contemporaine filosofie. Sindsdien wordt ieder jaar een zodanig programma tot stand gebracht, dat belangwekkende themata uit de diverse onderdelen van de systematische wijsbegeerte aan bod komen. Tegenwoordig - dat houdt in: vanaf het cursusjaar 1989 - 1990 - wordt niet alleen de blik gericht op de westerse filosofie, maar komen ook de filosofieën van niet-westerse  culturen ieder jaar aan bod. Daarbinnen óf daarnaast wordt noch de traditie noch de actuele problematiek vergeten.
Momenteel, we schrijven het jaar 2017, bestaat het Bestuur uit: drs. W.H.M. Willemsen (voorzitter sinds 1979), drs. P.IJ. de Wind (secretaris sinds 1981; penningmeester sinds 1990), L.F. van Gerwen (bestuurslid sinds 2016). Dr. P. van Zilfhout heeft zijn functie in 2013 neergelegd (bestuurslid van 1992 tot 2013) en drs. J.J.S. Liebens heeft op 1 augustus 2016 zijn bestuursfunctie neergelegd.
De Wetenschappelijke Adviesraad (WAR) bestaat nu uit: prof.dr. R. Foqué (Leuven/Rotterdam), prof. dr. G.-J. van der Heiden (Nijmegen), prof. dr. P.M.F. Oomen (Nijmegen), dr. G.A.J. Steunebrink (Nijmegen), drs. W.H.M. Willemsen (Eindhoven) en drs. P.IJ. de Wind (Eindhoven).
Op 1 augustus 2016 is dr. B.M.J. Nagel (Amsterdam) uit de  WAR gestapt.
 

 
Noten:

 
1. Cf. A.G.M. van Melsen, Wat maakte het neothomisme zo attractief? Beschouwingen over universaliteit, systematiek en inzichtelijkheid. In: De Wijsgerige Thomas. Terugblik op het neothomisme, Baarn 1984, p. 28-48 (Annalen van het Thijmgenootschap, jrg. 72, afl. 1).
 
2. Feestrede uitgesproken t.g.v. het zilveren bestaansjubileum van de Wijsgerige Kring Eindhoven door voorzitter H. Weijtens, Eindhoven, oct. 1958.
 
3. Om zicht te krijgen op zijn wijze van filosofie-beoefening, leze men bijvoorbeeld één van de tractaten, die zijn uitgegeven in de serie Wijsgeerige Grondbegrippen. J.J. Romen & Zn. Roermond-Maeseyck:
no. 1 Begrijpen (z.j.); no. 4 Maat en meten (z.j.); no. 8 Oorzaak en Veroorzaakt I (z.j.).
 
4. Dr.Ir. F.Ph.A. Tellegen, Ter gedachtenis aan Magister Albertus Carel Doodkorte O.P. In: Roeping 16 (1937/38), p. 385-386 noot 1.
Zie verder voor de kritiek van vooral prof.dr. F.L.R. Sassen op Doodkorte c.s.: C.E.M. Struyker Boudier en H.M.A. Struyker Boudier, Uit de geschiedenis van een wijsgerige vereniging. Lotgevallen van het neothomisme in Nederland, 1933-1983. In: De wijsgerige Thomas. Terugblik op het neothomisme, Baarn 1984, p. 65-73 (Annalen van het Thijmgenootschap, jrg. 72, afl. 1). Onbesproken blijft hier verder de onderwaardering c.q. de minachting van Doodkorte voor de poëzie.
 
5. Dr.Ir. F.Ph.A. Tellegen, ibid, p. 387.
 
6. Cf. Dr.Ir. F.Ph.A. Tellegen, Aard en zin van de technische bedrijvigheid (oratie), Delft 1953.
 
7. Cf. C.E.M. Struyker Boudier e.a., ibid, p. 86. Hier wordt gesproken over de invloed van De Petter (Leuven) op Barendse vanwege hun regelmatige contact via het Tijdschrift voor Filosofie.
 
8. Prof. J. Wilderbeek heeft in feite nooit zijn studie wijsbegeerte voltooid vanwege "examenvrees". Zijn kennis van de wijsbegeerte stond overigens buiten kijf.
 
9.  Wat betreft de bijzondere relatie tussen de augustijnen en de Wijsgerige Kring Eindhoven: zie ook het artikel van de hand van drs. J.J.S.Liebens, Augustijnen en de Wijsgerige Kring Eindhoven, in de herdenkingsbundel: Augustijnen honderd jaar in Eindhoven 1891-1991, Nederlandse Analecta OSA, L. van Gelder (red.), 1991, blz. 29.
 
10.  Cf. R.C. Kwant: Het arbeidsbestel. Een studie over de geest van onze samenleving. In: Mens en medemens. Aspecten der sociale werkelijkheid, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1956;
Wijsbegeerte van de ontmoeting. Een studie over de geest van onze samenleving. In: Mens en medemens. Aspecten der sociale werkelijkheid, Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen 1959.
 
11.  Cf. C.E.M. Struyker Boudier e.a., ibid., p. 88-89.
 
12.  Prof.Dr. W. Luijpen, Rechtvaardigheid, Tjeenk-Willink, Zwolle 1975, p. 44-57.
 
13.  Cf. Samuel IJsseling, Retoriek en filosofie. Wat gebeurt er wanneer er gesproken wordt? Ambo, Bilthoven 1975.
 
14.  In 1970 promoveerde hij op de dissertatie: Theodicee als aanmatiging. Analyse en kommentaar op het artikel over het mislukken van alle wijsgerige pogingen in de theodicee, (1791) van Immanuel Kant.
 
15.  Cf. F. Soontiëns, Van atoom tot Adam. Eenheid en verscheidenheid in het denken van Van Melsen. In: Geloven in de wereld. Een vriendenboek voor en over prof.dr. A.G.M. van Melsen. Katholiek Studiecentrum, Nijmegen/Ambo, Baarn 1985, p. 77-82.
 
16.  De tekst van deze lezing is een ingekorte versie van het artikel van zijn hand in 1984. Zie noot 1.
 
17.  Cf. A.G.M. van Melsen, Geloof, rede en ervaring. Een wijsgerige bezinning, Katholiek Studiecentrum/J.H. Kok, Nijmegen/Kampen, 1989, vooral hfd. 6.
 
18.  Het jaar daarop, in 1960, hield R. Friedeman een cursus van 6 bijeenkomsten over Plato waarin hij aan het slot de transcendentie-idee van Plato onder kritiek stelt. In het voetspoor van Parmenides zou Plato het onvolmaakte, het betrekkelijke en het veranderlijke weigeren 'zijnde' te noemen. Dit zou niet alleen de wereld betreffen, maar ook ons oordelen zou dan illusoir en absurd worden. Friedeman kiest voor de gedachte van Aristoteles, dat 'het absolute en het goddelijke werkelijk intreedt in mundane gestalten': het transcendente toont zich in de gestalten van deze wereld (immanent).  
 
19. In zijn onlangs verschenen publicatie: Wat is metafysica? Een studie over transcendentie, Van Gorcum, Assen/Maastricht, 1983, wordt op blz. 119-120 het onderscheid tussen de conservatieve en progressieve mens in het kort besproken.
 
20.  Cf. Th.J.M. van Velthoven, De intersubjectiviteit van het zijn: keuze uit het werk van Prof.dr. Th. van Velthoven [inl. door prof.dr. J.A. Aertsen]. Kok Agora, Kampen 1988, p. 19-22 (inl.); p. 65-81; 107-144.
     


Peter de Wind studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1979 docent filosofie en maatschappijleer op diverse scholengemeenschappen; vanaf 1986 verbonden als docent filosofie en levensbeschouwing aan scholengemeenschap Augustinianum vwo-havo te Eindhoven. Samen met Harry Willemsen vormt hij vanaf 1981 het dagelijks bestuur van de Wijsgerige Kring Eindhoven.
  * Speciale dank gaat uit naar drs. Jos Liebens, mede-bestuurslid van de WKE, voor zijn commentaar op de eerste versie van dit artikel.